Wat is inflatie en wat doet het met uw geld en koopkracht?
Inflatie betekent dat uw euro minder koopt. Met rekenvoorbeelden voor spaargeld en loon ziet u wat dat kost en welke keuzes uw koopkracht beschermen.
Inflatie betekent dat uw euro minder koopt, en dat is iets anders dan dat alles duurder wordt. Sommige prijzen stijgen, andere dalen, en het gemiddelde bepaalt of uw geld aan waarde verliest.
Voor uw portemonnee is vooral dat gemiddelde van belang. Staat er 20.000 euro op uw spaarrekening en stijgen de prijzen jaarlijks met 2 procent, dan koopt u over tien jaar voor dat bedrag zo'n 3.600 euro minder dan nu. Dat verlies staat nergens op een afschrift, maar het is er wel.
Wat is inflatie
Inflatie is de gemiddelde stijging van prijzen over een bepaalde periode, meestal uitgedrukt als percentage per jaar. Stijgen de prijzen met 3 procent, dan kost een mandje boodschappen van 100 euro over twaalf maanden gemiddeld 103 euro.
Het gaat dus om een gemiddelde over veel producten. Een kop koffie kan 10 procent duurder worden terwijl een televisie goedkoper wordt. Voor het cijfer telt het gewogen resultaat, waarbij uitgaven die huishoudens vaak doen zwaarder meetellen dan uitgaven die zelden voorkomen.
De keerzijde is koopkracht. Als prijzen stijgen en uw inkomen of vermogen niet meegroeit, kunt u minder kopen met hetzelfde bedrag. Koopkracht is daarmee de eigenlijke maatstaf, want een bedrag in euro's zegt weinig zonder te weten wat u ervoor krijgt.
Hoe prijsstijgingen worden gemeten
In Nederland berekent het CBS de inflatie aan de hand van de consumentenprijsindex. Het CBS volgt de prijzen van een vast pakket goederen en diensten, van boodschappen en energie tot huur en een kapperbezoek, en vergelijkt die maand na maand met dezelfde maand een jaar eerder.
Dat pakket weegt niet voor elk huishouden gelijk. Een stel in Utrecht met een hypotheek en een auto heeft een ander uitgavenpatroon dan een alleenstaande huurder zonder auto. Stijgen de energieprijzen sterk, dan merkt de huurder met een hoog energiegebruik dat sneller dan het gemiddelde. Het officiële cijfer is dus een richtcijfer, uw persoonlijke prijsstijging kan hoger of lager uitvallen.
Daarnaast bestaat er een Europese variant, de HICP, die vergelijking tussen eurolanden mogelijk maakt. De Europese Centrale Bank stuurt op die maatstaf en streeft op middellange termijn naar 2 procent. De Nederlandsche Bank legt op dnb.nl uit hoe dat beleid werkt.
Waar prijsstijgingen vandaan komen
Prijzen stijgen meestal omdat de vraag harder groeit dan het aanbod, of omdat producenten hogere kosten doorberekenen. Die twee oorzaken komen in de praktijk vaak samen voor.
Bij vraagdruk willen consumenten en bedrijven meer kopen dan er geleverd kan worden. Na de coronaperiode zagen we dat bij onder meer bouwmaterialen en auto's, waar de leveringen achterbleven bij de bestellingen.
Bij kostendruk worden grondstoffen, energie of transport duurder en rekent de producent dat door. De energieprijzen na 2021 zijn daarvan het bekendste recente voorbeeld, omdat vrijwel elke keten erdoor werd geraakt.
Een derde mechanisme is de loon-prijsspiraal. Stijgen de prijzen, dan eisen werknemers hogere lonen. Bedrijven verwerken die loonkosten in hun prijzen, waarna de volgende ronde begint. Een zzp'er die zijn uurtarief jarenlang gelijk houdt, ziet dit van de andere kant. Zijn kosten voor verzekering, software en reizen lopen op, terwijl zijn tarief stilstaat en zijn marge dus slinkt.
Ook de geldhoeveelheid speelt mee. Groeit die veel sneller dan de productie van goederen en diensten, dan is er meer geld dat achter hetzelfde aanbod aan jaagt. Over de precieze weging van deze oorzaken zijn economen het zelden eens, en per periode verschilt welke factor domineert.
Gevolgen voor sparen en lonen

Stijgende prijzen vreten aan spaargeld zodra de rente lager ligt dan de prijsstijging. Het verschil heet de reële rente, en die bepaalt wat uw spaargeld werkelijk doet.
Neem 20.000 euro op een spaarrekening met 1 procent rente, terwijl de prijzen 2 procent per jaar stijgen. Na tien jaar staat er ongeveer 22.100 euro op de rekening, een stijging van 2.100 euro. Maar door de prijsstijging is dat bedrag in koopkracht nog zo'n 18.100 euro waard. U bent nominaal vooruitgegaan en in werkelijkheid ruim 1.900 euro armer geworden. Zonder rente is het verlies ongeveer 3.600 euro.
Voor lonen werkt het precies zo. Krijgt iemand met een bruto maandsalaris van 3.500 euro een loonsverhoging van 1 procent terwijl de prijzen 3 procent stijgen, dan daalt de koopkracht met bijna 2 procent. Dat komt neer op ruim 65 euro per maand, ook al staat er op de loonstrook een hoger bedrag. Dit rekenvoorbeeld is vereenvoudigd, want belasting en toeslagen verschuiven mee, maar de richting klopt.
In de praktijk blijkt dat vaak anders uit te pakken voor mensen met een schuld. Wie een hypotheek met vaste rente heeft, betaalt een vast bedrag terwijl lonen en prijzen oplopen. De schuld wordt in koopkracht dus lichter. Dat is een van de weinige voordelen van inflatie, en het gaat ten koste van de spaarder die de lening in feite financiert.
Voor wie al moeite heeft met rondkomen, zijn vaste lasten als energie en boodschappen extra zwaar, omdat die uitgaven bijna niet uit te stellen zijn. Het Nibud laat op zijn site zien hoe huishoudens hun budget daarop kunnen afstemmen.
Hoe u uw koopkracht beschermt
U beschermt uw koopkracht door te zorgen dat uw geld over de lange termijn minstens zo hard groeit als de prijzen. Welk middel daarvoor past, hangt af van hoe lang u het geld kunt missen.
Voor de buffer die u binnen een paar jaar nodig heeft, telt zekerheid zwaarder dan rendement. Houd een noodreserve aan van enkele maanden vaste lasten op een spaarrekening, en zoek daarvoor de hoogste rente die u kunt krijgen. Blijft die rente achter bij de prijsstijging, dan beperkt zij toch het verlies. Een zzp'er die belastingreserves aanlegt voor btw en inkomstenbelasting, doet er goed aan die op een aparte rekening met rente te zetten, omdat dit geld op een vaste datum weer weg moet.
Voor geld dat u tien jaar of langer niet nodig heeft, zijn beleggingen een gebruikelijke route. Aandelen zijn bedrijven met echte producten en prijzen, die bij oplopende prijzen vaak hun verkoopprijzen kunnen verhogen. Dat is geen garantie. In een jaar met sterk stijgende prijzen kunnen koersen ook dalen, en wie belegt kan geld verliezen. Spreiding over veel bedrijven en landen verkleint het risico dat het misgaat met één onderneming.
Ook de eigen woning kan als bescherming werken, doordat de waarde van vastgoed op lange termijn vaak met de prijzen meebeweegt. Daar staan hoge kosten en een gebrek aan spreiding tegenover. Wie alles in één huis steekt, heeft een flinke concentratie in één bezit.
De derde maatregel zit in uw eigen inkomen. Vraag bij elke jaarlijkse beoordeling om een verhoging die minstens de prijsstijging dekt, en indexeer als ondernemer uw tarieven jaarlijks. Een controller die jaar op jaar dezelfde 3 procent ontvangt terwijl de prijzen sneller stijgen, kan dat verschil in een gesprek zichtbaar maken met de cijfers van het CBS.
Welke mix bij u past, hangt af van uw situatie. Voor persoonlijk advies over beleggen kunt u terecht bij een adviseur die bij de AFM is geregistreerd. Bekijk meer artikelen over Inflatie.
Het verschil met deflatie
Deflatie is het spiegelbeeld van inflatie, een daling van het algemene prijsniveau, en dat klinkt gunstiger dan het is. Als prijzen dalen, wordt uw geld meer waard, maar consumenten en bedrijven stellen aankopen uit omdat het volgende maand goedkoper kan zijn.
Dat uitstellen drukt de vraag, waardoor bedrijven hun prijzen nog verder verlagen en mensen minder verdienen. Een lening wordt in dat scenario juist zwaarder, omdat u een vast bedrag moet terugbetalen terwijl uw inkomen onder druk staat. Centrale banken mikken daarom op een lage, positieve prijsstijging, ruim boven nul.
Een dalende prijs op één product, zoals een goedkopere laptop, is overigens geen deflatie. Pas als de daling breed en langdurig is, spreekt men van deflatie. Disinflatie is een derde begrip, namelijk een vertraging van de prijsstijging. De prijzen blijven dan stijgen, alleen minder snel dan eerst.
Veelgestelde vragen
Wat betekent inflatie?
Het is de gemiddelde stijging van prijzen over een periode, meestal een jaar. Het gevolg is dat u met dezelfde euro's minder kunt kopen. Stijgen de prijzen met 2 procent, dan kost wat nu 100 euro kost over een jaar gemiddeld 102 euro.
Is inflatie slecht voor spaarders?
Het is slecht voor spaarders zodra de rente lager is dan de prijsstijging, want dan neemt de koopkracht van het spaargeld af. Bij 1 procent rente en 2 procent prijsstijging verliest u elk jaar ongeveer 1 procent aan koopkracht. Is de rente hoger dan de prijsstijging, dan groeit uw spaargeld in werkelijkheid wel.
Wat is een normale inflatie?
De Europese Centrale Bank streeft op middellange termijn naar 2 procent, en dat wordt als gezond beschouwd. Het CBS publiceert de actuele cijfers voor Nederland. Pak vandaag de rente van uw spaarrekening en zet die naast het laatste cijfer van het CBS, dan ziet u meteen of uw spaargeld aan koopkracht wint of verliest.